0

Levenskunstlezing 2015 – Lex Bohlmeijer

Dames en een beetje heren, goedemiddag,
Ik ga een lezing houden, de levenskunstlezing, over de kunst van het luisteren. Mijn naam is Lex Bohlmeijer. Ik ben presentator bij de KRO-NCRV radio en maak programma’s op Radio 4 over klassieke muziek.
Ik hoop dat u mij goed kunt verstaan. Dat is wel een aardig begin voor een lezing over de kunst van het luisteren.

Ik benijd u niet. U kunt zo prachtig zingen. U bent gekomen voor een concert en dan moet u het komende kwartier naar mij en mijn lezing luisteren. En u mag niets doen, u zit daar maar een beetje stil. U bent gedwongen tot passiviteit, en dat is niet eenvoudig in deze tijd van assertiviteit. Het lijkt mij voorwaar geen sinecure. Wij praten graag zelf, dat zijn de momenten waarop we bewijzen dat we bestaan. We maken graag lawaai, vragen voortdurend om aandacht, voor onszelf, en nu mag dat even niet.

Voor mij is dat ook helemaal niet makkelijk. Ik presenteer dagelijks radioprogramma’s waarbij je mensen adresseert zonder ze te kunnen zien. Ik weet niet waar ze zich bevinden, wat ze aan het doen zijn, terwijl ze naar mij luisteren. Ze kunnen mij in ieder geval niet zien, dus ze moeten wel naar mij luisteren, ze hebben niks anders. Nu staart u mij aan. En ik hoop maar dat u niet alleen naar mij kijkt, maar ook naar mij luistert. Maar daar kan ik niet zeker van zijn. Misschien bent u inmiddels al aan het dromen over de zon, of denkt u na over het volgende lied dat u zo moet zingen. Er zijn mensen die mij kennen van de radio en zich op dit moment afvragen “Hé, het beeld rijmt helemaal niet met de stem die ik wel eens hoor”. Er zijn mensen die naar mij toekomen die zeggen “Ik dacht dat u een dikke man was; een oude man met een dikke buik en een baard”. Soms voelt het ook wel zo.

Wat doe je eigenlijk als je luistert? Ik weet het niet, echt niet. Voor mij is het een groot mysterie. Maar ik hou mij er al wel mijn hele leven mee bezig en heb er mijn bestaan zelfs op gevestigd. Dus ik zal een paar van mijn ervaringen met u delen. Het zijn eigenlijk twee verhalen. Ria zei het net al: mijn werk gaat over muziek maken. Maar voor minstens zo’n groot deel is dat luisteren en je oren op zetten. Beroemde dirigenten van professionele, grote symfonieorkesten eisen van de houtblazers dat ze vooral contact moeten blijven houden met de bassen. Van de trompetten wordt verwacht dat ze luisteren naar de violen.

Ik heb het ooit eens meegemaakt in Ierland. Mijn vrouw en ik waren op vakantie en het was, zoals in Ierland altijd het geval is, buitengewoon grijs en droevig, regenachtig weer. Grauw. In één woord: mistroostig. Wij tuften over binnenwegen door het land en kwamen in een dorpje vlakbij een rivier. Het dorpje bestond uit één brede straat, die langzaam afliep naar de rivier en aan weerskanten omringt was met kleine, pastelkleurige huisjes. Het was ochtend en wij snakten naar een kopje koffie. Er waren een paar kroegen open. Uit één kroeg kwam muziek. Daar moeten wij zijn, dachten wij – voor onze troost: een bakkie troost.

Wij gingen naar binnen en namen plaats in de hoek van het café; een donkere kroeg. Langzaam begonnen onze ogen te wennen aan het licht en zagen wij aan de bar zeven oude mensen zitten, gebogen over hun bier. Er was iets aan de hand en wij wisten niet meteen wat. Niemand zei iets. Op een gegeven moment zag ik het. Er zaten niet alleen zeven oude mensen gebogen over hun bier, maar ook één jonge man. Een boerenknecht. Een reusachtige vent. En die zat ernaast, ook over een biertje gebogen, aan de bar. Wat het bijzondere was, was dat hij aan het zingen was. Het was geen bandje dat op stond, of een plaat, nee, er was iemand live aan het zingen. Maar dat zag je niet, omdat die man tussen de mensen aan de bar zat. “Dat is ook raar”, dacht ik. Dan ga je luisteren, kijken, en toen zag ik – en daarom hadden we het niet meteen door – dat het erop leek alsof hij aan het luisteren was. Naar een stem die van diep van binnen kwam of van ver weg en heel oud was. Later heb ik begrepen dat het een Ierse traditie is. De oude folknummers werden zo gezongen dat de zanger met zijn rug naar het publiek zat. Misschien is dat ook iets voor het vervolg straks hier. Ik vond dat zo ontzettend mooi. Het was een zeer weemoedig lied. De man drukte niet alleen dat verdriet uit, maar ook de gedachte “het gaat niet om mij”. “Het gaat om een stem die van elders komt en die veel belangrijker is. Ik maak plaats.” Zo leek het letterlijk te zijn, de man leek plaats te maken voor een andere stem. Ik ben een ruimte die zich laat vullen door een andere stem, door het lied van iemand die ik niet ken. Het vreemde, dat doordringt mij.

Dat opwindende en sacrale ogenblik zal ik nooit vergeten. Ik denk dat het mij zelfs leidt bij het werk dat ik doe, namelijk het interviewen van mensen, voor de radio en daarbuiten. Ik mag in aanwezigheid van mijn voormalige manager bij de radio nu wel verklappen dat je dan een aantal lessen krijgt. Eén daarvan is de volgende. Er zijn heel veel gasten bij mijn radiowerk over de vloer gekomen. Beroemde zangers en musici bijvoorbeeld, die je in het Engels interviewt. Voor de radio is het dan wel zo netjes dat je dat even vertaalt, want als je iemand in zijn of haar ogen kijkt begrijp je veel meer dan wanneer je thuis luistert en aan het afwassen bent, of wat u dan ook aan het doen bent. Dromen van de zon, denken aan het volgende lied, of iets dergelijks. Ik had mij goed voorbereid voor de eerste keer. Dan laat je iemand praten, denkt na over de eerste vraag en dan komt na een minuut dat moment: oh ja, ik moet even vertalen. En toen dacht ik: “Shit, wat heeft ‘ie nou gezegd?” Ah, u lacht. Maar dan breekt dus totale paniek uit. Dat je één witte vlek voor je ogen ziet. Ik had geen idee. Dat is een les die je je leven lang niet meer vergeet. Wat je je dan realiseert is dat je als interviewer en presentator op zo’n moment de luisteraar spéelt. Je verbeeldt iemand die luistert, je doet alsof, terwijl je ondertussen nadenkt over de volgende vraag. Of je vraagt je af of het wel goed gaat, of hoeveel tijd je nog hebt. Ik heb mij vanaf dat moment voorgenomen dat dit mij nooit meer mag overkomen. Daarna heb ik het gelukkig nog heel vaak mogen doen en heb ik inderdaad ontdekt: je kunt zo goed luisteren dat je het na anderhalve minuut kunt samenvatten. Dat is een opwindend moment, als je die hele film wél voor je ogen ziet. Erg mooi.

Ik heb het later ook nog een keer buiten de context van de radio meegemaakt. Ik kreeg de opdracht om een man te interviewen die werkte in de oude meelfabriek in Leiden, De Drie Sleuteltjes. Daar werd vroeger het brood Kingcorn gemaakt. Dat kent u nog. Dat brood dat je als een zak watten in je holle kies stopt. Die fabriek stond leeg en de gemeente wist niet wat ze ermee zou moeten doen. Afbreken, altijd een optie. Als monument bewaren of er appartementen van maken? Ze wisten het niet en tot de gemeente haar beslissing had genomen zat er nog één man in die fabriek. Die mocht daar blijven, tot zijn pensioen. Sam Kukler. Hij zat in een soort souterrain, half onder de grond al, heel symbolisch, in deze gigantische ontmantelde fabriek. Theatergroep Hollandia wilde een voorstelling over die man maken. In die ruimte. Over industrialisatie en arbeiders, er zat een heel verhaal omheen. De bekende acteur Bert Lubbers zou dat spelen en ik moest die man interviewen. Daar zou een tekst uit komen en dat ging Bert dan spelen. Een fantastische opdracht. Dus ik met mij recordertje er naar toe. Hij snapte er niet zoveel van. Een interview, vooruit maar. Ik zat vol goede moed en dacht “Hier komt een verhaal”. Die man werkte al vijftig jaar in een fabriek, wat die allemaal niet meegemaakt heeft. Hij begon te vertellen dat hij begonnen was als zakkenvuller; daarna was hij op de vrachtwagen gekomen. Na vijf minuten zei hij: “Nou, dat was het wel”. Dat was het verhaal van zijn leven. Ja, natuurlijk, hij snapt het nog niet, maar dat komt wel, dacht ik. Dan ga je er op in. Na tien minuten zei hij “Ik weet niet wat ik nog meer moet vertellen”. Toen brak bij mij de paniek uit. Daar gaat mijn project. Het gaat niet goed. Dan ga je aan iemand trekken. Er is toch wel eens iemand overleden in die fabriek? Hoe haal je het in je hoofd zoiets te vragen – je kent die man net een kwartier. Zo rommelde ik door, terwijl het zweet mij echt uitbrak. Maar, op een gegeven moment hoor ik hem zeggen: “En toen ik zat ik op die vrachtwagen, zo gezegd en alles. Dan ging je het Westland in, zogezegd en alles. Naar die bakkertjes en bij hun naar boven, zogezegd en alles.” Ik dacht bij mezelf: “Sukkel, je hebt niet geluisterd naar wat hij zegt, maar naar wat je wilde horen”. Ik heb naar mijn eigen verhaal zitten luisteren. Naar mijn verwachtingen, naar mijn verbeelding, maar niet naar wat hij werkelijk zei. Door die ene zin, waarin hij vijf keer “zogezegd en alles” zei en ik dat opeens hoorde, dacht ik “Luister nou eens”. Toen ben ik nog vijf keer teruggegaan en heeft hij mij zijn hele leven verteld. De prachtige verhalen kwamen toen wel. Daar is een juweel van een kleine voorstelling uitgekomen. Die heette “Kingcorn, of zogezegd en alles”.

Ik zie het ook om mij heen in conversaties. Hoe slecht er eigenlijk geluisterd wordt. Ik ga niet boos doen hoor, u bent allemaal voortreffelijke luisteraars en nog betere zangers, dus het gaat niet zo lang meer duren.

Dat iemand het woord voert en dat anderen dan wachten totdat ze het over kunnen nemen: recepties en verjaardagsfeestjes zijn ideale terreinen om dat te ontdekken. Dat luisteren niet echt luisteren is, maar wachten op je eigen beurt. Met andere woorden: dat je zit te wachten op momenten van stilte, de hapering die gaat komen, de kleine breuk, om dan onmiddellijk in dat gat te springen, in het betoog van een ander, waardoor je kunt ontsnappen. Luisteren is maar al te vaak wachten op het moment dat je zelf weer het woord kunt nemen. Ik denk dat dat anders kan. Ik denk dat het echte luisteren jezelf even opschorten is. Ik kan het niet anders noemen. Het is mijn ervaring als interviewer. Jezelf even uitstellen. Geen nood, dat komt wel weer vanzelf. Het is heel prettig om dat uitstellen te doen. Je hoeft niets te bewijzen. Het heeft zelfs iets verslavends: je maakt plaats, letterlijk, net als die boerenknecht in Ierland. Die maakt plaats voor een ander. Met je hele dikke, vette ego doe je een stapje opzij. Je laat je in bezit nemen door een ander geluid. Letterlijk. Het zijn nieuwe harmonieën, schurende dissonanten. Het is de onuitputtelijke bron, voor mij, van de meeslepende muziek van de stem. Misschien ben ik daarom wel geen goede journalist geworden, maar wel een goede luisteraar, denk ik. Dat heeft mijn leven beslist verrijkt.

Het hoeft geen betoog dat muziek de allerbeste oefening is in deze levenskunst, die wat mij betreft tot het goede leven leidt, of er althans aan bijdraagt. Ik geef u tot slot mijn levensmotto mee. Zoals ik het voor mijzelf samenvat als ik even de weg kwijt ben. Hoe deed je dat ook alweer, het goede leven? Zeker op momenten van dilemma’s. “Ik wil door het leven heen gaan, maar ook dat het leven door mij heen gaat.” En als je leven vertaalt door muziek dan krijg je wat ik u vanmiddag als zangers en als luisteraars toewens. Ik hoop dat u door de muziek heen gaat en dat de muziek door u heen gaat. Ik dank u voor de bereidheid om naar mij te luisteren, al ben ik er nooit helemaal zeker van dat uw eigen dromen niet mooier waren dan mijn woorden.

Lex Bohlmeijer

 

Download de tekst als pdf: Levenskunstlezing 2015.

Laat een reactie achter