Steunpunt blijft bezorgd

Geplaatst op 14 juli, 2010 in Artikelen, Perskamer door Alcuin

Steunpunt blijft bezorgd over (jonge) architecten

De financiële eisen bij aanbestedingen blijven dalen, maar buitensporige ervaringseisen en hoge deelnamekosten zorgen er nog steeds voor dat jonge architectenbureaus nog steeds niet aan bod komen. Dat meldt het Steunpunt Architectuuropdrachten & Ontwerpwedstrijden in haar tweede kwartaalbericht van 2010.

Het aantal aanbestedingen steeg de afgelopen drie maanden licht ten opzichte van het eerste kwartaal (58 tegenover 53). Het aantal DBFMO-opdrachten steeg met liefst 255 procent, terwijl het aantal aanbestede architectendiensten met 24 procent afnam. De gemiddelde omzeteis liep met meer dan een ton terug, van ruim 640.000 naar ongeveer 528.000 euro.

Ondanks de laatste positieve ontwikkeling overheerst bij het Steunpunt bezorgdheid. “De gestelde ervaringseisen blijven in veel gevallen dusdanig zwaar dat het aantal geschikte gegadigden bij voorbaat onnodig beperkt wordt.”

“Ook lijken sommige aanbesteders niet te weten dat een bank een bereidheidverklaring tot bankgarantie behandelt alsof het een bankgarantie betreft, hetgeen gepaard gaat met een onnodig beslag op de liquiditeit van de deelnemers aan een aanbesteding.”

Ook door de hoge deelnamekosten komen jonge architectenbureaus er volgens het Steunpunt nog steeds niet aan te pas. “Vandaar dat demissionair minister Van der Hoeven van EZ nieuwe regels heeft opgesteld in een wetsvoorstel om de toegankelijkheid voor het MKB te vergroten en de deelnamekosten omlaag te brengen.”

“Daarnaast heeft EZ stedenbouwkundige Riek Bakker aangesteld als aanbestedingsambassadeur om gemeenten aan te zetten beter aan te besteden.”

Ook steeds meer gevestigde architectenbureaus laten aanbestedingen links liggen, meldt het Steunpunt. “De inspanning en kosten zouden volgens hen in geen verhouding staan tot de opdrachten.”

Steunpunt blijft bestaan
Het Steunpunt maakte verder bekend dat het kenniscentrum voor aanbestedingen van architectuuropdrachten ook de komende twee jaar blijft bestaan. De ministeries van Economische Zaken, VROM en Onderwijs toonden zich positief over het advies van de Rijksbouwmeester het Steunpunt voort te zetten.

“Onder (publieke) opdrachtgevers bestaat veel animo voor een dergelijk Steunpunt, en hiermee gaat ook een door de BNA gekoesterde wens tot een onafhankelijk opdrachtgeversteunpunt in vervulling. Het aantal vragen van aanbestedende diensten, adviseurs en inkopers om informatie en advies blijft gestaag groeien.”

Het Steunpunt, ondergebracht bij Architectuur Lokaal, zal haar huidige activiteiten (informatie, advies, monitoring, onderzoek) continueren. “Tevens zullen ‘best practices’ worden verzameld, gebundeld en omgezet naar praktische handvatten voor de aanbestedingspraktijk van architectendiensten.”

Het toernooi onder de donkere wolken

Geplaatst op 7 juni, 2010 in Perskamer door Alcuin

NRC | dinsdag 25 mei 2010 door Louise O. Fresco

Donkere wolken pakken zich samen boven de polders. Rakelings scherend over de duinen trekken zij via de bruisende binnensteden met hun levendige terrassen en druk bevaren grachten naar het gemanicuurde Groene Hart vol fietsende dagjesmensen. Dan nemen zij de richting van de vinexwijken met hun uniforme kavels, maar uiteenlopend tuinmeubilair – oh land van eenheid in verscheidenheid! Door razende winden worden ze voortgeblazen, die wolken. Uit het noorden brengen zij as en verstard staatssocialisme met een zuchtje technologische vernieuwing, uit het zuiden komen de wolken van losbandig opportunisme en blinde spilzucht. Uit het nabije oosten blazen treuzeling en treurigheid, uit het westen niets nieuws, slechts een aanhoudend hautaine eilandwind. In de hogere luchtlagen, dwars over het land, stormt ongemerkt de orkaan uit het verre oosten, waar ze de kunst van het wolken zaaien en regen oogsten tot grote wetenschap hebben verheven.

In dat comfortabele landje op de rand van het oude Europa, die delta waar sinds eeuwen de wegen van handel, culturen en mensen elkaar kruisen tot welzijn van allen, wordt de gemoedelijke rust slechts ontsierd door een enkel gevoel van verongelijktheid. Men verlustigt zich in de opklaringen tussen de wolkenpartijen, die bewijzen dat de wolken er niet toe doen en alles bij het oude blijft. Aan andermans wolken hebben de inwoners geen schuld. Zo plat is deze landstreek dat niemand een kerktoren of kantoorgebouw beklimt en zijn vinger opsteekt om de storm in de hogere luchtlagen te bestuderen.

Het leven is er aangenaam: huizen worden mede betaald door de staat via huursubsidie en hypotheekrenteaftrek. Godlof, de staat zorgt voor alles, voor werk, uitkering en gezondheid, voor inspraak en uitspraak, voor wildroosters en de maat van de koeienstallen, voor verkeerslichten en de veiligheid van broodroosters. Iedere generatie lijkt het net iets beter te krijgen dan de vorige; vergeleken bij drie generaties geleden zijn ze nu onvoorstelbaar rijk en gezond. Bijna niemand twijfelt eraan dat dit alles zo doorgaat tot in eeuwigheid der dagen, dezelfde kleinschalige tevredenheid, gelardeerd met een abstract gevoel van een boze buitenwereld – ergens, ver weg.

Ter afleiding heeft het land vele politieke partijen. Elke vier jaar, of eerder, om onvoorspelbare redenen van slecht humeur, maken deze zich op voor het nationale debattoernooi, compleet met ridders in volle bepakking en een aantrekkelijke jonkvrouw. Dit jaar zijn allen tevreden omdat de opperste autoriteit, het Centrale Panbureau, hun wapens goed genoeg bevond om elkaar in de pan te hakken. Figuurlijk dan, want met oprechte passie wordt er niet gevochten: dit is een natie van als tolerantie vermomde onverschilligheid.

Aan het begin van het toernooi krijgt iedereen een pluim, en aan het eind mag iedereen weer jaren op een mooie pluchen zetel stilzitten. Het toernooi is een ritueel waarbij nauwelijks slachtoffers vallen, hoogstens door zelf aangedaan leed zoals loslippigheid of ijdeltuiterij. Het toernooi combineert tikkertje, kiekeboe en stoelendans en eindigt, zoals alle kinderfeestjes, met pruillippen en ondefinieerbare vlekken op niet nader te omschrijven plaatsen.

De omstanders, zestien miljoen in totaal, verlustigen zich in een spelletje van politieke wie-met-wietjes tussen de lotto en de loterij door, en klagen zonder overtuiging omdat klagen tot de nationale identiteit behoort.

De gemoederen lopen soms op, favoriete ridders wankelen in de strijd, andere verdwijnen met de noorderzon, maar het einde van het toermooi is altijd hetzelfde: een lange periode van veren gladstrijken, vredestichten en verklaringen schrijven onder leiding van een vaderlijke figuur. Dan komt er uiteindelijk een kabinet ‘uitrollen’ alsof de politici duikelaartjes zijn. In de praktijk blijkt dat in vier jaar geen verschillen meetbaar zijn. Het merkwaardigste van deze traditie is dat slechts een paar procent van de bevolking mee mag doen en kans maakt op een van de mooie pluchen stoelen. In het landje is het toernooi voorbehouden aan de kaste der onaanraakbaren: hun onaantastbare positie van bestuurder mag nooit binnen bereik van anderen komen, hoe getalenteerd ook.

Is er dan in dit tevreden land niemand die de wolken leest en het zware weer ziet aankomen? Niemand die beseft dat het deze keer niet overwaait, niet in een jaar, noch in vier jaar? Niemand die wil weten dat de wolken zullen blijven hangen, de gele, de grijze wolk en de groene wolk, de donderwolk en dollarwolk? Genoeg deskundigen telt dit land van eigenwijsheid, genoeg woorden over bezuinigingen, belastingen, efficiëntie, leiderschap en innovatie. Maar de ridders in hun verkiezingstoernooien hebben oog voor zichzelf en steken graag zulke mooie woorden bij de andere veren op hun hoed. Hoe meer woorden, hoe meer vreugde.

Wie wil begrijpen hoe de oosterstorm waait, hoog boven zijn veelvormige wolken, moet luisteren naar het land waar men de hoogste wijsheid in winden en wolken ziet en weet dat eeuwen nodig zijn om ze te leren kennen. Daar weten ze dat geen enkele rivier terugkeert naar zijn bron, geen roos zich weer hecht aan de struik waarvan zij afgevallen is. Daar weten ze dat de winden van verandering die op dat mooie bevoorrechte land in de delta afstormen, de mistflarden opzij zullen blazen en aan de deuren zullen rukken van de heilige huisjes van markt, arbeid en staat. Daar weten ze dat wie niet voorbereid is op de wind, ten onder gaat.

Wie de moed opbrengt om verder te kijken dan het verkiezingstoernooi, ziet in de vormen van de wolken nieuwe vergezichten. En de edelachtbare verkiesbaren zelf? Die steken hun grote neuzen in de wind en begrijpen niet waarom hun ogen plotseling gaan tranen.

Pietje Bell-lezing 2009

Geplaatst op 3 januari, 2010 in Artikelen, Perskamer door Alcuin

NRC | dinsdag 12 november 2009 door Valentijn Bijvanck

De tekst van de Pietje Bell-lezing van 11 november 2009

Alledaagse virtuositeit
In de jaren 90 was ik als fellow verbonden aan The Metropolitan Museum of Art in New York. In de prachtige New Yorkse nazomer zat ik regelmatig in de vroege avond op de monumentale trappen voor de ingang te kijken naar voorbijgangers. Op een doordeweekse dag hangt niemand bij de trappen, behalve personeel van het museum dat wacht om opgehaald te worden. In de zomer is het drukker vanwege de vele picknicks, de concerten en Shakespeare in the Park, het Central Park dat pal achter het museum ligt. Maar op de gewone dagen zie je alleen mensen die van hun werk terugkeren naar huis.
The Metropolitan Museum ligt in de zeer bemiddelde Upper East Side, een woonwijk van prachtige hoge woonblokken, Townhouses genoemd, elk met een ingang met meestal een kleine luifel en een loper. In alle gevallen staat er een portier in kostuum die vriendelijk lachend de deur openhoudt. De voorbijgangers zien er allemaal hetzelfde uit. Mannen in witte overhemden, het jasje over de schouder en een koffertje in de hand. Vrouwen dragen donkerblauwe blazers en rokken, met huidkleurige kousen en witte gymschoenen. Ze komen langs de fonteinen die ’s avonds alleen voor speciale gelegenheden worden aangezet, en waar zich nu de eerste herfstbladeren verzamelen. Je ziet aan de snelle pas en starende blik dat ze snel naar huis willen. Ze zien er moe uit, misschien schudden ze in stilte lopend de frustraties van het werk van zich af. Ze verlangen naar een bad, een opwarmmaaltijd met een glas Chardonnay en dan zitten voor de televisie.
Aan het afnemen van de stroom mensen kun je zien dat om een uur of zeven iedereen binnen is. Niet lang daarna komt er een veel kleinere stroom mensen de luxueuze woonblokken weer uitgelopen. Nu bevat de stroom veelal hondenuitlaters, joggers en een enkele moeder met kinderwagen, nog even het park in. Misschien hebben ze vroeg gegeten en genieten nu even van hun kinderen en huisdieren die overdag worden overgelaten aan de nannies. Die nannies zijn onderdeel van weer een andere verkeersstroom aan het eind van de middag, op weg naar Queens en Brooklyn. Maar die komt niet langs het museum.
Omstreeks half acht komt een derde groep langs de trappen en dat is de groep waarop ik altijd wacht, de skaters. De skaters dragen bedrukte T-shirts met wollen dassen en afhangende spijkerbroeken met versleten gympen. Ze komen altijd in een los groepje aanrijden, als een verspreide zwerm spreeuwen. En dan gebeurt het. Ze springen de trappen op. Maar in plaats van op de treden te skaten, schuren ze de zijkant van de wielen langs de opstaande rand van de trede.
Dat beeld zit al meer dan tien jaar in mijn hoofd. De handeling is bewust disfunctioneel. Waarom doet die groep dat?
Het wiel is uitgevonden om onze voortbeweging te versnellen, maar schuif of probeer het te rollen op zijn zijkant, dan remt het wiel in plaats van snelheid te maken. Bovendien gaat het er van kapot. Het zelfde geldt voor het opstaande gedeelte van de trede, dat uitsluitend dient om het horizontale gedeelte van de trede hoogte te geven. Verder dient die rand nergens toe.
Het ‘grinden’, want zo heet de techniek die ik hier beschrijf, is een vertoon van alledaagse virtuositeit. Springen op de trappen en er op rijden is gemakkelijk, zelfs van de trap af. Maar het schuren van de randen vereist kunde. De wrijving is hard en ongelijk en je verliest gemakkelijk je evenwicht en dan val je met veel vaart van een paar meter hoge granieten trap.
Zouden de jongeren de treden schuren om die statige wijk (waarin ze overigens ongetwijfeld wonen) en het plechtige museum dwars te zitten? Ik denk het niet, al doen de statige trappen zich wel voor als een grens en voelt het spelen op de trap wel als het oversteken van die grens. Maar als deze groep dit gevoel deelt, dan laat zij het niet merken. Het gedrag is te vluchtig, nonchalant eigenlijk. De jongens en meisjes glijden voorbij ergens in het midden van de hoge trap, misschien praten ze nog heel even, roken nog een sigaret, maar dan gaan ze zoef weer verder, waarschijnlijk het park in, op weg naar nieuwe uitdagingen.
Wat voor de jongeren gecodeerd groepsgedrag is, wordt door de buitenwereld gelezen als een vorm van verzet, niet alleen tegen de wat ik bij gebrek aan een betere term even de conventies der dingen noem, het wiel en de trap, maar ook tegen de granieten status van de hoge cultuur.
Slijtplekken en sporen
Het museum ergert zich aan de jongeren. De skaters detoneren met het plechtige imago dat het museum in stand probeert te houden. Het museum noemt zich A living encyclopedia of world art en haalt meer dan vijf miljoen bezoekers per jaar binnen. Het heeft een sjiekeApolloCircle voor jongeren. Deze skaters zullen daar niet snel deel van uitmaken. Voor sommige mensen vormen ze onderdeel van een levendige stadscultuur. Maar voor The Metropolitan Museum zijn het lastposten, net als de hotdog vendors, T-shirts en spray paint schilderijen verkopende handelaren. Allemaal onkruid op en rond de hoge trappen. Welbewust bestrijdt het museum deze groepen niet, want voor je het weet komt er een protestdemonstratie tegen elitisme. Dus kijkt het museum van bovenaan de trap deftig en ineffectief op de jongeren neer.
Maar als de jongeren een paar weken hebben geschaatst, dan blijkt dat het museum toch iets tegen hen kan ondernemen. De trappen die er uitzien alsof ze al eeuwen geleden zijn aangelegd, maar in werkelijkheid uit de jaren zeventig van de 20e eeuw stammen, beginnen zwarte slijtplekken te vertonen. Medewerkers van het museum zetten er de hogedrukspuit op, dan poetsen ze met zware chemicaliën. Maar het oorspronkelijke natuursteen grijs keert niet terug. Er worden experts bijgehaald. Die schrijven een rapport waarin staat dat skaters slecht zijn voor de trap. Een week na verschijnen van het rapport staan er ’s avonds suppoosten bij de trappen die de skaters onverbiddelijk wegsturen. Na een paar weken geven de jongeren op. Eventuele protesten van de buurt blijven uit, misschien wel omdat er een nieuwe skatebaan in het park wordt aangelegd. De volgende nazomer zijn er geen skaters meer op de trappen van het museum.
Waarom vertel ik dit verhaal? Ik vind het een mooi voorbeeld van de manier waarop we met de ontmoeting van verschillende culturen omgaan. Ik denk dat de meeste mensen zich kunnen verplaatsen in de houding van The Metropolitan Museum. Ze zullen vinden dat de skaters niet op de trap horen, dat ze schadelijke sporen achterlaten en dat ze daarbij ook nog eens hun spullen verkeerd gebruiken. Zo worden we opgevoed. Niet spelen op de trap! Gebruik je spullen waarvoor ze gemaakt zijn! Afblijven van andermans eigendom! Het zijn allemaal waarschuwingen tegen het onwetmatige gebruik van dingen, de zijkant van het wiel en de opstaande rand van de trap, en de vermenging van ongelijksoortige zaken, zoals schaatsen op de trappen van het museum.
Tegelijkertijd zullen de meeste mensen vinden dat die skaters geen criminelen zijn. Hun handelingen zijn niet werkelijk vervelend, maar de plaats is gewoon wat ongelukkig gekozen. Dus we begrijpen we ook de pragmatische oplossing: dingen die niet bij elkaar horen, worden gescheiden. Kunst in het museum, schaatsers in het park.
De scheiding verhoudt zich echter slecht met een ander ideaal in onze samenleving. We willen grenzen slechten. We hebben opgelucht afscheid genomen van de verzuilde samenleving. We doen ons best om nieuwe bevolkingsgroepen in onze samenleving op te nemen. We streven naar sociaal en cultureel pluriforme wijken. We geven moderne bestemmingen aan oude monumenten. We moedigen jonge professionals aan om vooral buiten hun discipline te kijken. Managers wordt geadviseerd om out of the box te denken. En er moet een creativeclass komen, die op zoek naar vernieuwing voortdurend grenzen verlegt.
Scheppen we wel de juiste omgeving voor zo’n creativeclass?
Nederland wordt steeds gezelliger
Er bestaat een brede behoefte om Nederlanders op te voeden. Een recente peiling van het Sociaal en Cultureel Planbureau toont dat Nederlanders zich zorgen maken over de ontwikkeling van normen en waarden en kritisch zijn op het gedrag van hun landgenoten. Mensen weten niet meer hoe het hoort. Ze houden geen deuren meer open, rijden door rood licht, gebruiken voortdurend grove taal, behandelen ouderen zonder respect en slaan erop bij de minste aanleiding.
De oorzaak voor het slechte gedrag wordt vaak gelegd bij een uit de hand gelopen samenleving. De algemene perceptie is dat het zachte jaren zijn geweest, waarin een stapeling van vrijheden en onverschilligheden de samenleving schade heeft gedaan. Iedereen heeft daarbij zijn eigen verhaal. Sommigen hekelen de losheid van de seksuele moraal, anderen beklagen zich over slechte werkhoudingen, de teloorgang van de taal en de gebrekkige kennis van de geschiedenis. In deze permissive society, zo wordt algemeen gevoeld, hebben mensen hun houvast verloren. We kunnen steeds moeilijker aan immigranten en Europa uitleggen wat Nederland is en wat hier nu eigenlijk de regels zijn.
De overheid poogt in de laatste jaren meer grip te krijgen. Er is meer blauw op straat gekomen. Er wordt stap voor stap een einde gemaakt aan het gedoogbeleid ten aanzien van kraken en wiet. Er is een canon opgesteld om ons weer bekend te maken met de grote thema’s van onze geschiedenis. En er wordt via allerlei campagnes gewerkt aan onze heropvoeding. De meest opvallende hiervan zijn de campagnes die vallen onder het streven van de overheid iets te doen aan ons kennelijk tekortschietende besef van normen en waarden.
De stichting SIRE, die trouwens los van de overheid opereert SIRE heeft onlangs de toon gezet in een campagne getiteld ‘onbewust asociaal’. Die begint met de opmerkelijke openingszin: “We zijn het er vast over eens: Nederland wordt er niet gezelliger op.” De zin vormt een variant op ‘Laten we het vooral gezellig houden met elkaar,’ dat volgens mij wordt gebruikt als de gemoederen al zodanig verhit zijn geraakt dat de politie moet worden gebeld. Gezellig is het dan meestal nooit geworden. SIRE leert ons dat als je een tas op de plaats naast je in de bus zet, luid telefoneert in het openbaar, of je hond laat poepen voor het huis van de buurman, dat je dan niet gezellig bezig bent.
Het is moeilijk te meten of het in Nederland ooit gezelliger was dan nu. Belangrijker is het om te constateren dat we steeds gevoeliger lijken te worden. We zijn snel geprikkeld over misverstanden, kunnen niet tegen pesten en vinden het moeilijk om met tegenslagen om te gaan. Websites over ergernissen schieten als paddenstoelen uit de grond. De kleinste dingen leiden tot de grootste verontwaardiging. Een Kamerlid noemde onlangs een minister een flapdrol. Het woord zou aan mijn ouders een glimlach ontlokken als een wat ouderwets woord om iemand de oren mee te wassen. De Tweede Kamer en de media raakten er niet over uitgepraat. Ik bedoel geen uitspraak te doen of deze veranderingen wenselijk zijn en al helemaal niet om verlangen naar het verleden op te wekken. Ik stel alleen vast dat schelden anders dan vroeger pijn doet.
De toegenomen gevoeligheid en de perceptie van verruwing versterken de behoefte aan harde grenzen. En die behoefte lokt een zero tolerance beleid uit dat in sommige opzichten lijkt op de geprikkelde houding van de burger. De burger pikt het niet langer, en de overheid ook niet. Het beleid krijgt vorm in het vocabulaire van de nieuwe duidelijkheid. Er wordt steeds op gehamerd: de burger behoeft duidelijkheid, de burger hecht aan heldere regels. Er zit een militair tintje aan die voortdurende bevestiging. Was voorheen dan alles onduidelijk? Konden mensen elkaar voorheen slechter verstaan? Nee, natuurlijk. De woorden duiden vooral op de bezwering van mogelijke misverstanden.
Onze kwetsbaarheid maakt ook dat we steeds harder oordelen over kleine vergrijpen. We geloven zelden dat iets onschadelijk of onschuldig is. Het is kenmerkend voor dit soort ongeloof dat er geen moderne woorden zijn voor kwajongens die kattenkwaad uithalen. In plaats van kwajongens, schelmen en schoffies, zijn er nu crimineeltjes, jonge overtreders en jeugdige delinquenten. Ik denk dat we nog wel een notie hebben van het verschil tussen een kwajongen en een crimineel. Maar ons vocabulaire kent alleen nog maar criminelen. Kattenkwaad bestaat niet meer en ondeugend zijn heeft alleen nog maar met seks te maken. Wat zou Pietje Bell tegenwoordig zijn: een jonge overtreder?
Over dingen die niet (thuis)horen
De enige plek waar grensverleggend gedrag nog een zekere mate van onschuld draagt is de kunst. Van kunstenaars wordt verwacht dat ze grenzen overschrijden. De dichter Gerrit Komrij typeerde zichzelf ooit als een kameleon die altijd in de verkeerde kleur schiet. Hij bediende daarmee een nog altijd levend discours, waarin de kunstenaar origineel en afwijkend dient te zijn. Een stukje kunstgeschiedenis: De kunstenaar Marcel Duchamp zond een gesigneerde pispot in voor de Armory Show in New York. Pierre Manzoni blikte zijn eigen poep in. Chris Burden liet zich een kogel door de arm jagen. De zusters Raeven verhongeren zichzelf.Jonas Staal trekt aandacht met berm-monumenten voor Geert Wilders.
Ondanks de wat vermoeide traditie verwachten we nog steeds van kunstenaars dat ze ons ontregelen. De burgerij kan nog altijd geschokt worden, meestal door de ongewenste vermenging van dingen, vooral seksualiteit, geweld en godsdienst. In dit licht is de enfant terrible onder de kunstenaars Damien Hirst zo opmerkelijk. Met de handige marktpositionering van zijn werken en sterstatus bespot hij misschien nog beter de kunstwereld dan het publiek. Een pillenkabinet? Een haai op sterk water? Steeds maar weer breekt discussie uit over de artistieke waarde van zijn werk.
In Nederlandse kunstkringen werd verontwaardigd gereageerd op Hirsts platina schedel afgezet met diamanten, getoond nota bene in het Rijksmuseum. Was het nu kunst of kitsch? Werden we beetgenomen? Was het een performance, een reclamestunt, een prijsopdrijver? Critici die zich tegen het werk van Hirst in het Rijksmuseum keerden, oordeelden dat het werk protserig was, onecht, een vlak stukje reclame. In kunstkringen is naast elkaar tonen van hoge en lage kunst allang geaccepteerd. En de ontregeling van conventies is eerder gewenst dan verboden. Maar voor veel mensen was dit toch een stap te ver. Het doodshoofd was een vlek op het blazoen van de kunst van de Gouden Eeuw.
De schedel van Hirst liet net als de skaters op de trap sporen achter waarvan men vreesde dat ze het aanzien van het instituut aantastten. Zo kan ook de kunst schade doen wanneer het niet thuishoort, zelfs in een museum. Dat verklaart waarschijnlijk ook dat men kunstenaars net als skaters vaak op hun eigen gesubsidieerde plekken, broedplaatsen, apart van de alledaagse werkelijkheid wegzet. Als ze daaruit in de wereld treden, dan bestaat het risico dat er schuring optreedt.
Het is geen toeval dat de twee voorbeelden van dingen die niet thuishoren, te maken hebben met een schuring tussen het museum en het alledaagse, dat wil zeggen, tussen het museum en de straat (skaters) en tussen het museum en de markt (Damien Hirst). Die strijd vindt ook plaats zonder deze haast symbolische ontmoetingen. Het museum is gemaakt als tegenpool van het alledaagse en ook tegenwoordig zien velen het instituut als een plaats ver weg van de dagelijkse zorgen en verplichtingen. En dat is het ook. Alle loffelijke pogingen om de samenleving in het museum te krijgen ten spijt, blijft het museum een plek waar de tijd is stilgezet, waar objecten in netjes geordende composities leven en waar een geurloze en vaak geluidloze abstractie van de werkelijkheid wordt getoond. En ook als bezoeker word je stilgezet, want het museum staat bol van de verboden die op straat niet gelden. Je mag niet aanraken, je mag niet bellen, je mag niet fotograferen, je mag niet eten, niet drinken, je mag niet hardlopen enzovoorts. Zoveel verboden maken mensen opstandig. Wat doen ze eigenlijk in het museum? Wat heeft het museum eigenlijk met hun leven te maken?
Het antwoord is: alles. Mensen hongeren naar een museale ordening van het alledaagse leven.
De knusse stad
Al eeuwenlang vormen steden het doelwit van ingrijpende overheidscampagnes tegen chaos en verwildering. Vaak dienden die campagnes groei te bevorderen en de stad overzichtelijk te maken. Baron Haussmann legde in de 19e eeuw een reeks parken en bijna alle grote boulevards aan in Parijs onder meer om licht en ruimte te scheppen en volksopstanden tegen Napoleon III gemakkelijker te kunnen bestrijden. Robert Moses bouwde in de 20e eeuw bruggen en snelwegen om New York geschikt te maken voor een toekomstige middenklasse die er zou werken en boodschappen doen, maar die in zijn visie in wijken buiten de stad zou komen te wonen. In beide visies lag een element van representatie besloten, dat wil zeggen, ze gingen niet alleen over wat er in de stad gebeurde, ze gingen ook over hoe de stad er uitzag.
Met het wegvallen van oude functies, ambachten en zelfs diensten, worden binnensteden nu meer dan ooit ingericht voor een representatief doel: toeristische consumptie. Niet zelden tot monument verklaarde bedrijfsgebouwen krijgen culturele functies, grachten worden geschikt gemaakt voor de pleziervaart, wijken worden gescout voor thematours en overal zijn cafés en terrassen van waar men kan kijken naar flanerende voorbijgangers. De stad is daarmee van een gebruiksstad tot een kijkstad geworden, waarin veel mensen zich dagelijks bezighouden met gidsen, tours en tijdsbestedingen voor bezoekers, zoals dat in VVV-jargon heet. In de ideale stad staat niet werken maar genieten centraal. We weten allemaal dat dit niet het hele verhaal is, maar we leven graag de droom en het is ontegenzeggelijk waar dat het zorgvuldig geknede nieuwe imago niet alleen bezoekers bedient. Ook bewoners ontlenen een nieuwe trots aan de stad; ze leven de zachte illusie van de hyperrealiteit, een term die de Franse filosoof Baudrillard gebruikte voor Disneyworld, een voorstelling van de stad waarin haar mooie aspecten afgestoft zijn en uitvergroot, de nare en saaie dingen, bedrijvigheid, rook, luchtjes, vlekken en oneffenheden zijn verdrongen.
De huidige plannen om de Amsterdamse wallen aan te pakken vormen een goed voorbeeld van deze hyperrealiteit. De wallen horen bij de oude stad. Het is de enige plek waar nog consequent een oud ambacht wordt bedreven, van oudsher vooral voor buitenlanders en al eeuwen omgeven door een sfeer van criminaliteit. Maar de buurt wordt in de nieuwe representatieve orde aangeprezen als bezienswaardigheid. Hierin onderscheidt zich de nieuwe representatie van een veel ouder, calvinistisch ideaal van een zedelijke samenleving waarin gevels blinken, de straten worden geschrobd, het afval netjes wordt gescheiden en iedereen elkaar met twee woorden aanspreekt. Een schone buitenkant als weergave van een sobere en kuise inborst.
De rosse buurt toont geen sobere en al helemaal geen kuise inborst. Integendeel, zijn sfeer van semi-criminaliteit en pikante zedeloosheid vormt juist zijn aantrekkingskracht. Maar de bezoeker aan de buurt moet natuurlijk niet het idee krijgen dat hij in een broeikas van criminaliteit, drugshandel en vrouwenhandel is beland. Hierin schuilt een gevaar voor de representatieve orde: die dient immers zoveel mogelijk reukloos, vlekkeloos en bovenal gevaarloos te zijn.
De musealisering van steden is geen exclusief Amsterdams fenomeen. Rotterdam afficheert zich de laatste jaren sterk als een stad vol modern erfgoed. In Enschede verlangt het stadsbestuur een aantal wolkenkrabbers om het stadsaanzicht meer allure te geven. Nieuwbouwwijken worden in toenemende mate geënt op de als ultiem gezellig beoordeelde voorsteden uit de jaren dertig en vijftig. Getuige de jacht op de titel ‘culturele hoofdstad’ is de nieuwe representatieve orde ook geen exclusief Nederlands verschijnsel. De consensus is universeel: steden zijn om naar te kijken.
Ook buiten de stad is het leven een plaatje geworden. De etnoloog Gerard Rooijakkers wees ons op de verdwijning van het oude Nederlandse platteland en de opkomst van een soort bourgeois pastorale van buitenplaatsen, braderieën en woonboerderettes.
Deze musealisering van platteland en binnensteden ontlokte aan de historicus Maarten van Rossem de opmerking dat er geen Nationaal Historisch Museum hoefde te komen. Het was voldoende om in heel Nederland bordjes te plaatsen. We horen het steeds vaker: Nederland is een groot openluchtmuseum geworden.
Maar de essentiële vraag is: wat proberen we eigenlijk aan elkaar te laten zien? Het is kenmerkend voor Nederlandse steden dat vrijwel alle pogingen in het verleden om de steden licht en ruimtelijk te maken, met boulevards en gedempte grachten, zijn mislukt. De typische Nederlandse binnenstad is nog steeds kronkelig, onoverzichtelijk en ouderwets gezellig. Overal in Nederland worden kades langs rivieren, voetgangervrije winkelpromenades en pleinen met terrassen aangelegd, opdat we maar zoveel mogelijk kunnen genieten van het schouwspel dat de stad ons biedt. In verschillende steden, zoals Kampen en Utrecht, komen weer grachten tevoorschijn omdat straten ontdempt worden. Rotterdam vormt hier de uitzondering die de regel bevestigt, maar daar moet men bij aantekenen dat deze stad haar openheid in eerste instantie aan de Tweede Wereldoorlog, niet aan voortvarend modernistisch beleid te danken heeft. In het algemeen geldt dat Nederlandse steden hun gebrek aan grandeur tot ideaal hebben verheven: geen grote pleinen en monumenten, maar wel kleine grachten, zoete gevels en fijn verlichte terrassen. We lijken boven alles gezelligheid te willen uitstralen: een veilige, zoete collectieve intimiteit. De Nederlandse stad is Madurodam in het groot.
De goede huiskamer
De ontwerpwoede is misschien wel begonnen met de calvinistische aansporing om de wereld een zo goed mogelijk inzicht te verschaffen in de woonkamer, opdat de buren er zich te allen tijde van zouden kunnen vergewissen dat er geen onkuis gedrag plaatsvond. Langzaamaan is dat beeld gaan schuiven. Eerst vormde het huis slechts het decor van de godsvrucht, daarna stond het zelf symbool voor de kuisheid van de bewoners. En tegenwoordig wordt het interieur beoordeeld, niet als een teken van godsvrucht, kuis gedrag of zelfs karakter, maar als maatstaf voor de sociale vaardigheid van de bewoner. Een goede huiskamer laat zien dat de bewoner weet hoe het hoort.
De 20e-eeuwse Nederlandse literatuur leert ons dat morele interieurs de natuurlijke broedplaatsen vormen voor revolutionairen, helden, wereldverbeteraars, radicalen en schoffies. Die verzetten zich hun hele leven tegen de burgerlijke moraal die ze in hun jeugd opgedrongen hebben gekregen. Terwijl de klok de ijzige stilte doorsnijdt met rustig getik, wordt hier de bijbel gelezen, dochters wordt verboden om uit te gaan, zoons krijgen een draai om de oren als ze slecht presteren op school (de riem is voor de schuur) en echtelieden vinden elkaar in hun klachten over de buren en de verwilderende omgeving. Hermans, Van het Reve, Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, er is altijd die ellendige huiskamer, waar mensen opzitten bij de visite, kaakjes bij de koffie worden geserveerd en zeer goed opgelet wordt dat er geen kringen op het dressoir komen. (Dit voorbeeld komt overigens van Pietje Bell).
De antropoloog Benedict Anderson heeft in een briljante studie beschreven hoe een natie mede gevormd wordt in de verbeelding van mensen. In Nederland wordt die verbeelding gekleurd door een gemeenschappelijke afkeer van de geur van het archetypische ouderlijk huis: spruitjeslucht – niemand houdt ervan en het valt nergens te ruiken. Toch beschrijft het woord een Nederlandse mentaliteit van tafelkleedjes bedompt van aardappelen en gekookte groentelucht.
Het zal niemand verbazen dat tussen alle geuren die de moderne woonkamer ons biedt, geparfumeerd cederhout, Braziliaanse kruiden en Japanse rozen, geen groentelucht zit. De moderne woonkamer biedt een uitgekiende geuromgeving van ‘ambachtelijke geuren’. En voor de rest leunen we hevig op geurvreters. De tafelkleedjes zijn allang vervangen door onderzetters,de etensgeuren hebben plaatsgemaakt voor schoongeboende kringloze oppervlaktes. En die oppervlaktes dragen het keurstempel van de woonboulevard, een supervrijetijdsbesteding waarin de consument zich door woonconsulenten laat vertellen hoe hij zijn huis modern en representatief dient in te richten. Modern en representatief: non-waarden die duiden op een generieke inrichting waarin duurzaam houten vloeren, bedachtzame en toch gewaagde kleurencombinaties, twee retrostoelen en een lamp, gordijnen met ingeweven motieven en rode sprieten in tafelhoge vazen een belangrijke rol spelen.
Je zou kunnen beweren dat de verstikkende huiskamerorde van de jaren vijftig hier een waardig vervolg heeft gekregen. Zou deze nieuwe orde niet zijn eigen talenten, helden en schoffies moeten voortbrengen? Ik kan niet goed verklaren waarom dat niet gebeurt. Misschien omdat jongerenapart gezet of gearresteerd zijn voor ze hele goede, hele slimme, of hele slechte daden kunnen verrichten. Misschien ook omdat ze door televisie, computer en Ipod niet werkelijk deel uitmaken van en zich daardoor minder hoeven afzetten tegen een gezinscultuur zoals die in de jaren vijftig bestond. Of misschien is de woonkamer te schoon, te geurloos, zonder de oneffenheden, de rommel en souvenirs, kortom de last van het verleden die de oude woonkamer bij zich droeg.
De burgerlijke Nederlandse woonkamer was met zijn porseleinkasten, vensterbankverzamelingen en klassieke klokken altijd al een beetje een deftige kamer. In de moderne uitvoering is het nog meer een toonkamer geworden. Alleen staat het prototype nu op de meubelboulevard. De woonkamer is een etalage van de nieuwste woonmode, dat prachtige woord dat suggereert dat men de woonkamer net als kleding regelmatig moet vervangen om niet volledig uit de pas te lopen. De goede woonkamer, tjokvol moderne ontwerpproducten,verdient een rondleiding.
Het verschil tussen de inrichting van binnensteden en huiskamers is omgekeerd aan datgene wat je zou verwachten. Terwijl zeker binnensteden steeds meer gezelligheid uitstralen worden woonkamers minder persoonlijk. Het is ook waar dat de oude dingen die woonkamers gezellig maakten, langzaam uitsterven. De verzamelingen op de vensterbank verdwijnen, grootvaders klok is naar de zolder, familiefoto’s staan op het werk, tafels zijn kringloos en stoelen onbekrast. Toch tonen beide omgevingen, stad en woonkamer, eenzelfde soort van vlekkeloze ordening, waarin mensen zich wellicht thuis voelen, maar waarin ze zich zeker zonder zich te schamen kunnen tonen.
De behoefte om te allen tijde toonbaar te zijn, brengt de twee ruimtes zelfs dichter bij elkaar dan ze ooit geweest zijn. De klassieke scheiding tussen de ruimte waarin we een openbare rol spelen, en de ruimte waarin we helemaal onszelf kunnen zijn, is voorgoed verleden tijd. In de nieuwe representatieve orde acteren we allemaal voor een onzichtbare camera. En die camera staat opgesteld in een ruimte die lijkt op de panorama’s waarvoor gezinnen zich vroeger in een fotostudio lieten portretteren.
Zachte decors voor een harde werkelijkheid
Nederlanders raken er steeds meer van doordrongen dat hun wereld verhardt. Ze schrikken voor wangedrag en intolerantie, afnemend normbesef en vreemdelingenhaat. De burger uit zijn ongenoegen over deze verharding in websites vol ergernissen, de overheid bestrijdt haar met het stellen van harde grenzen en campagnes voor normen en waarden. Intussen ontwerpen we steeds meer ‘representatieve’ werelden: zachte decors voor een harde werkelijkheid, knusse binnensteden en goede woonkamers, waarin een zo groot mogelijke ordelijkheid samengaat met zo min mogelijk sporen van vermenging. In die vlekkeloze orde worden vreemde elementen verbannen: skaters moeten naar het park, kunstenaars in broedplaatsen en kwajongens in de gevangenis.
Het lijkt wel alsof, terwijl we de kwajongens in het vocabulaire verliezen, we de brave literaire werkelijkheid waarin ze opgroeiden steeds opnieuw trachten te verwezenlijken. Die werkelijkheid wordt zorgvuldiger en schoner dan ooit en gaat zo lijken op de virtuele landschappen waar we ons zo graag in begeven.
Onze perceptie van de harde werkelijkheid en ons streven naar zachte decors zijn even rechtlijnig. Het zijn keurslijven voor ons denken en voelen. Maar waarvoor hebben we die nodig? Bieden ze ons tegengif tegen de verruwing? Beschermen ze ons er tegen? Doen ze ons geloven dat er niets aan de hand is? Misschien. Maar belangrijker is het om vast te stellen dat deze fysieke omgeving onze idealen frustreert. Onze collectieve zoektocht naar innovatie, creativiteit en inspiratie strand op een gemanicuurde omgeving die deze waarden begrenst. Skaters op de trap stuiten onverbiddelijk op verbodsborden.
Valentijn Byvanck is directeur van het Nationaal Historisch Museum en voormalig directeur van het Zeeuws Museum.